Mart Smeets kietelde iedereen wakker. Iedereen van wie de blote voeten buiten de dekens staken. De dekens van een jeugdherberg. Even later reed ik in m’n lieflullige aluminiumgrijze Nissan Micra op de snelweg, alwaar ik links en rechts werd ingehaald door agressief uitziende motorrijders, onherkenbare ridders in zwart leer. Er doemde een absurd groot gebouw* op waarbinnen iets zou gaan gebeuren, ik voelde dat; een spannend concert zou me te wachten staan, hoewel ik niet goed begreep van en met wie. In ieder geval iets met jazz dacht ik. Veel moeite had ik echter met het vinden van de concertzaal en ook raakte ik m’n tas kwijt*. Na lang rondzwalken en menigmaal navragen wist ik dan eindelijk de gezochte zaal te localiseren. Ik vond er m’n tas terug! Alvorens het concert aanvang zou nemen was er nog een promotie gaande. Promotie van J.D. tot doctor in de chemie. Maar er kwam een onverwachte wending aan deze wetenschappelijke bevordering, omdat J.D., zo bleek ineens, tijdens z’n onderzoekstijd van nationaliteit was veranderd, en derhalve onterecht subsidie had ontvangen. Promotie afgelast! Jammer, maar ik was gekomen voor het concert. Wachten, wachten en nog eens wachten en onderwijl luisterde ik naar ondefinieerbare maar verwachtingsvolle klingelklangelgeluiden, die, naar het zich liet aanhoren, ergens anders uit het gebouw afkomstig moesten zijn. Het duurde even voor ik merkte dat de zaal inmiddels een metamorfose had ondergaan; het bleek dat ik me in m’n oude biologielokaal bevond, duidelijk herkenbaar aan z’n zitplaatsen in oplopende theateropstelling. Ik herkende ook Dolly, de biologielerares van lang geleden.
En zo werd ik wakker, onmiddellijk denkend aan het inmiddels vergane herbariumcahier dat ik, in opdracht van Dolly, ooit had volgeplakt met allerlei verschillende boomblaadjes. En het ging om hun vormen, vormen die ook namen hadden, zoals lobvormig, getand, gaafrandig en hoe ze ook maar weer allemaal mogen heten. De meeste voorbeelden van blaadjes die ik toentertijd heb kunnen verzamelen waren afkomstig van bomen en bosschages langs een stukje stadsweg tussen Appingedam en Eekwerderdraai, en dat ik nu het Dollylaantje pleeg te noemen…..
* Ik mijn dromen vertoef ik met enige regelmaat in grote gebouwen. Het kwijtraken van m’n tas is een obsessieve droomfenomeen te noemen.
Mijn Dollylaantje….. foto: dré©